Fases van gedragsverandering
Het bepalen én bevorderen van de motivatie voor en tijdens hulpverlening is noodzakelijk om de slaagkans ervan te verhogen. Het transtheoretisch model voor gedragsverandering van Prochaska, DiClemente en Norcross biedt hiervoor handvatten.
De auteurs zien motivatie niet als een gebeurtenis maar als een proces waarbij personen zich bewegen doorheen verschillende fasen van gedragsverandering. Hun model integreert verschillende psychologische theorieën over gedragsverandering in één theoretisch kader. Met het model kan de gereedheid of de motivatie van personen om hun gedrag te veranderen, worden beoordeeld op basis van zes stadia.
In de precontemplatiefase ervaren individuen zelf geen probleem en hebben ze niet de intentie om hun gedrag te veranderen. In deze fase is het typisch dat de omgeving van het individu wel inziet dat er iets moet veranderen. Als personen in deze fase toch in een hulpverleningstraject stappen, dan is dit vaak door externe druk. Bewustwording kan worden gefaciliteerd door het afwegen van de voor- en nadelen. Het voornemen om een bepaald gedrag te stellen, wordt grotendeels bepaald door onze gevoelens en meningen tegenover dit gedrag en door onze perceptie over de mening die familie en vrienden hebben tegenover dat gedrag.
In de contemplatiefase zijn individuen zich wel bewust van hun probleem. Ze weten ook welk gedrag ze willen veranderen, maar willen dit pas op lange termijn realiseren. Zij kunnen hierbij worden ondersteund in de erkenning van hun waarden en gevoelens tegenover het gedrag.
In de voorbereidingsfase heeft de persoon besloten om op korte termijn (binnen de maand) van start te gaan om zijn gedrag te veranderen. Daartoe treft hij de nodige voorbereidingen, die vaak al leiden tot kleine veranderingen.
In de actiefase richten individuen zich actief op het veranderen van hun gedrag, ze zijn bereid om hierin tijd en energie te investeren. De gedragsveranderingen zijn openlijk zichtbaar, bijgevolg krijgt men veel erkenning uit de buitenwereld. Die redeneert soms dat individuen in deze fase al veranderd zijn, terwijl het individu net gestimuleerd moet worden om het veranderde gedrag vol te houden.
Wie al tussen de zes en achttien maanden actief zijn gedrag veranderde, komt terecht in de onderhoudsfase. Belangrijk is ook dat het oude gedrag niet wordt gesteld. In deze fase ligt de nadruk op het verstevigen en onderhouden van het nieuwe gedrag.
Het verankeren en stimuleren van het veranderde gedrag is essentieel. Uit onderzoek blijkt dat gemiddeld drie tot zeven pogingen nodig zijn vooraleer het veranderde gedrag duurzaam verankerd is in het gewoontegedrag. Hervallen maakt dus onlosmakelijk deel uit van een model dat gericht is op gedragsverandering.
Uit onderzoek blijkt dat individuen zich op een niet-lineaire manier doorheen de verschillende fasen van gedragsverandering bewegen. Belangrijk is dus dat de processen die hen kunnen ondersteunen in gedragsverandering op het juiste moment worden aangereikt. Een match tussen de fase van gedragsverandering waarin iemand zich bevindt en de ondersteuning die wordt aangeboden tijdens de overgangsprocessen is dus cruciaal.
Waar zet je best op in tijdens deze fases?
1.Precontemplatiefase
Bewustzijn verhogen: verhogen van het bewustzijn over het huidige gedrag en deze in vraag stellen (leren van feiten, ideeën en tips die een goede gedragsverandering ondersteunen).
Gevoelens verkennen: verkennen van de gevoelens over het te veranderen gedrag (bijvoorbeeld de financiële moeilijkheden). Leren welke negatieve emoties samenhangen met het ongezonde (financiële) gedrag.
Omgevingsevaluatie: realiseren wat de negatieve impact is van het negatieve gedrag en de positieve impact van het nieuwe gedrag op de omgeving.
2.Contemplatiefase
Waarden verkennen: laten ervaren hoe persoon zich voelt en hoe hij/zij denkt over zichzelf met betrekking tot het gedrag dat voor moeilijkheden of problemen zorgt.
3.Voorbereidingsfase
Binden tot verandering: binden tot verandering en geloven in deze mogelijke verandering. Bijvoorbeeld door het maken van goede voornemens. Begeleider moet helpen bij het opstellen van een realistisch plan en haalbare doelen (zie ook Doelgericht werken: Van Voornemen tot Resultaat).
4.Actiefase
Bekrachtiging: belonen van het nieuwe, goede gedrag door zichzelf of door de omgeving.
Netwerk: gebruikmaken van het netwerk door open te zijn en vertrouwen te hebben in mensen die kunnen helpen. Het zoeken en gebruiken van sociale steun kan immers helpen bij een gedragsverandering. Dit kan via groepswerking of in de relationele band tussen cliënt en hulpverlener.
Vervangen: negatieve gedragingen vervangen door nieuwe, positieve gedragingen.
Stimuluscontrole: vermijden van stimuli/situaties die het ongewenste gedrag uitlokken en vermeerderen van stimuli/situaties die het positieve gedrag uitlokken.
5.Onderhoudsfase
Kritische momenten: zoeken naar momenten waar de kans op herval op de loer ligt. Duidelijk maken dat herval normaal is.
6.Herval
Leerkansen: leren uit wat er misliep, nieuwe strategieën bedenken om hiermee om te gaan